moëzag

ik vermoed door de nacht vermoeid,
en vereerd door de dag die de nacht dag’lijks vult

ikje nacht brengt de moed in rust, waar de sprong in’t droge stond ;
waar je blik mooi in’t hoofd gebracht ; ‘t hoofds keuze ; pril of pracht

want de grenzen vervagen geen liefde noch haat en
niemand kijkt toe ;
is’t wat je doet met je vragen ; hoever je tocht vannacht gaat? en
het doet er toe ;

wie heeft de nacht graag, wanneer niet?


About this entry